Binnen doelgroep: Kleuters (2,5-6j)
Artikeloverzicht Bewaren

Meerfactorenmodel van Mönks

1403

Het meerfactorenmodel van Mönks (1984) bouwt voort op het triadisch model van Renzulli (1978). Cognitieve begaafdheid ontwikkelt zich immers niet in een vacuüm.

Meerfactorenmodel Mönks

De sociale omgeving bepaalt vaak mee of een cognitief begaafd kind gezond en harmonisch kan opgroeien. Mönks (1984) stelt vast dat deze omgeving - ouders, leerkrachten, klasgenoten, broers en zusters - niet vanzelfsprekend weten hoe zij op een juiste manier met hen moeten omgaan.

Wanneer het gezin de begaafdheid niet herkent en erkent, het als bedreigend aanvoelt of gaat onderdrukken, kan een cognitief begaafd kind gaan onderpresteren. Een veilige, koesterende en stimulerende gezinsomgeving is een noodzakelijke voorwaarde voor een goede ontwikkeling van de begaafdheid.

Daarnaast kan ook school demotiverend werken als er niet ingespeeld wordt op de specifieke onderwijsbehoeften van cognitief begaafde leerlingen. Door hun manier van denken wijken zij af van de manier van leren van reguliere leerlingen. Zo kunnen zij sneller denken dan gemiddelde leerlingen, hebben ze een verscheidenheid aan strategieën om problemen op te lossen, hebben ze betere meta-cognitieve strategieën, leren ze abstracter en leren ze met een minimum aan instructie (Kettler, 2014). Ook wordt gesteld dat zij in een hoger tempo leren, graag associëren met eerdere leerstof en met reële zaken, graag buiten de lijntjes kleuren, een zeer creatief, scheppend vermogen hebben en een grote behoefte aan autonomie en zelfstandigheid hebben (Drent & van Gerven, 2009). Hieruit blijkt dat er nood is aan een andere manier van lesgeven én aan een ander curriculum. De gewone leerstof bevat te weinig uitdaging voor deze leerling, waardoor de leerling zich moeilijker kan concentreren, trager gaat werken en zich gaat vervelen. Hierdoor kunnen hiaten in zijn/haar kennis ontstaan.

Vervolgens kunnen ook de peers, meestal klasgenoten van de begaafde leerling, maar ook kinderen uit de jeugd- of andere hobbyverenigingen, de ontwikkeling van begaafdheid beïnvloeden. Wanneer deze kinderen geen ontwikkelingsgelijken zijn, kan de cognitief begaafde leerling minder aansluiting vinden waardoor hij een laag of onrealistisch zelfbeeld ontwikkelt. Dit kan opnieuw leiden tot onderpresteren. Enkel een goed samenspel tussen de drie factoren gezin, school en peers kan ervoor zorgen dat onderpresteren wordt voorkomen, maar is nog meer noodzakelijk om onderpresteergedrag om te keren.

 

Literatuur:

  • Drent, S., & van Gerven, E. (2009). Professioneel omgaan met hoogbegaafde leerlingen in het basisonderwijs. Assen: Van Gorcum.
  • Kettler, T. (2014). Critical thinking skills among elementary school students: comparing identified gifted and general education student performance. Gifted Child Quarterly, 58(2), 127-136.
  • Mönks, F.J., & Span, P., et al. (1984). Hoogbegaafden in de samenleving. Nijmegen: Dekker & van de Vegt.
  • Renzulli, J.S. (1978). What Makes Giftedness? Reexamining a Definition. Phi Delta Kappan, 60(3), 180-184.
KennisbankThema'sExterne blogsProfessionelenScholen & organisatiesWerkgroepenOver TALENT