Artikeloverzicht

Het CHC-model van intelligentie

Wat is intelligentie? Over die vraag zijn al hele bibliotheken volgeschreven. Heel wat wetenschappers hebben al een poging ondernomen om een antwoord op deze vraag te formuleren en op zoek te gaan naar wetenschappelijk bewijs voor de juistheid van hun antwoord. Vaak wordt bij deze zoektocht een conceptueel model van intelligentie gebruikt. Dat kan je best vergelijken met een soort idee of voorstelling van hoe we verwachten dat intelligentie precies in elkaar steekt. Een dergelijk conceptueel model dient dan als leidraad voor wetenschappelijk onderzoek en wordt gaandeweg bijgestuurd aan de hand van de resultaten van onderzoek. Vandaag is het CHC-model van intelligentie het meest gebruikte en best onderbouwde werkmodel van intelligentie.

Het model is een integratie van het uitgebreide Gf-Gc-model van Cattell en Horn en de drie-stratum theorie van Carroll. Vandaar de naam van het geïntegreerde model: CHC-model. Het CHC-model vormt de basis voor heel wat hedendaags wetenschappelijk onderzoek en voor diagnostiek. Zo vind je in heel wat hedendaagse verslagen van intelligentieonderzoek geen spoor meer van vroeger vaak gebruikte begrippen als ‘verbale intelligentie’ en ‘performale intelligentie’, maar wordt er bijvoorbeeld gesproken van ‘vloeiende intelligentie’ en ‘gekristalliseerde intelligentie’.

 

De structuur van intelligentie

Het CHC-model van intelligentie onderscheidt drie niveaus of strata van cognitieve vaardigheden (zie figuur). Bovenaan de hiërarchie staat algemene intelligentie of de g-factor (stratum III). Deze g-factor vertegenwoordigt het gemeenschappelijke in alle cognitieve vaardigheden die in de onderliggende niveaus onderscheiden worden. Hoewel er onder wetenschappers nog discussie bestaat over de juiste interpretatie van deze g-factor, zijn er toch heel wat aanwijzingen dat er wel degelijk zoiets bestaat als algemene intelligentie (de g-factor dus) (zie o.m. Verschueren, 2016).

Op het tweede niveau (stratum II) onderscheidt het CHC-model een tiental brede cognitieve vaardigheden (BCV’s). Verderop in dit artikel vind je een overzicht en korte beschrijving van elk van de tien BCV’s. In navolging van Keith & Reynolds (2010) krijgen twee BCV’s een wat aparte status. Kwantitatieve kennis (Gq) en lees- en schrijfvaardigheden (Grw) hangen namelijk nauw samen met schoolse vaardigheden en zijn grotendeels het resultaat van een formeel leerproces. Daarom worden ze meestal niet echt tot de BCV’s gerekend, ook al vertonen ze een sterke samenhang met de andere BCV’s en met de g-factor. Ook de laatste BCV, reactiesnelheid (Gt), wordt in wetenschappelijk onderzoek en in de diagnostische praktijk vaak niet in beeld gebracht, voornamelijk vanwege de lage samenhang met algemene intelligentie. De volgorde waarin de BCV’s in de figuur staan afgebeeld is niet onbelangrijk. Ze staan immers gerangschikt volgens de sterkte van de samenhang met de g-factor. Naarmate factor meer links in de figuur staat is de samenhang met algemene intelligentie groter.

Op het laagste niveau (stratum I), ten slotte, worden voor elke BCV een aantal nauwe cognitieve vaardigheden onderscheiden die er mee samenhangen. Deze vaardigheden worden nauw genoemd omdat ze eerder specifieke vaardigheden vertegenwoordigen die een rol spelen in een beperkter aantal taken. Zo worden onder de BCV gekristalliseerde intelligentie (Gc) onder meer volgende nauwe cognitieve vaardigheden onderscheiden: algemene verbale informatie, taalontwikkeling, lexicale kennis, luistervaardigheid, communicatievaardigheid en gevoeligheid voor grammaticale regels. Het is op het niveau van de nauwe cognitieve vaardigheden dat bijvoorbeeld subtests van intelligentietests zich situeren. Zij vormen als het ware ingangswegen om zicht te krijgen op de brede cognitieve vaardigheden en op algemene intelligentie.

 

De brede cognitieve vaardigheden

Vloeiende intelligentie (Gf)

Vloeiende intelligentie of vloeiende redeneervaardigheden verwijst naar de redeneervaardigheden die je toepast om relatief nieuwe problemen op te lossen. Het gaat dan om problemen waarbij je niet zomaar een beroep kan doen op aangeleerde gewoontes of stappenplannen. Je hebt er vaardigheden voor nodig zoals het leggen van verbanden of het logisch afleiden van gevolgen. Vloeiende intelligentie komt aan bod in abstracte redeneertaken, maar speelt ook een rol in het oplossen van dagelijkse problemen. Nauwe cognitieve vaardigheden die onder vloeiende intelligentie horen zijn onder andere inductief, deductief en wiskundig redeneren. Vloeiende intelligentie wordt minder bepaald door de cultuur waar je deel van uitmaakt dan gekristalliseerde intelligentie (zie verder).

 

Gekristalliseerde intelligentie (Gc)

Gekristalliseerde intelligentie verwijst naar de breedte en diepte van de kennis die iemand binnen een bepaalde cultuur heeft verworven en naar de toepassing van deze kennis. Onder kennis verstaan we zowel feitenkennis als procedurele kennis (d.i. kennis over hoe iets gedaan moet worden). Vergeleken met vloeiende intelligentie is gekristalliseerde intelligentie meer afhankelijk van contextfactoren zoals ervaring, onderwijs, opvoedingsklimaat, en culturele achtergrond. Nauwe cognitieve vaardigheden die deel uitmaken van gekristalliseerde intelligentie zijn onder meer: algemene verbale informatie, taalontwikkeling, lexicale kennis, luistervaardigheid, communicatievaardigheid en gevoeligheid voor grammaticale regels.

 

Kortetermijngeheugen (Gsm)

Kortetermijngeheugen verwijst naar de vaardigheid om informatie in je onmiddellijke bewustzijn te encoderen, bij te houden en te manipuleren. Deze BCV omvat dus niet alleen de capaciteit van het kortetermijngeheugen (d.i. hoeveel informatie het in één keer kan bevatten), maar ook de efficiëntie van de controlemechanismen die instaan voor de manipulatie van informatie (d.i. hoe goed je de opgeslagen informatie kan bewerken). Een nauwe cognitieve vaardigheid die onder het kortetermijngeheugen hoort is geheugenspan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vaardigheid om een rij cijfers te onthouden en onmiddellijk na te zeggen. Ook werkgeheugencapaciteit is een smalle cognitieve vaardigheid die hier thuis hoort. Een beginnende lezer die eerst de afzonderlijke letters in het woord ‘boom’ verklankt en de resulterende klanken vervolgens in zijn geheugen combineert tot het gesproken woord [boom] doet hiervoor sterk een beroep op zijn werkgeheugen.

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de sterkte van het kortetermijngeheugen samenhangt met prestaties voor zowel technisch en begrijpend lezen als voor wiskunde. Vooral het werkgeheugen blijkt consistent en sterk gerelateerd aan prestaties op deze vlakken. Problemen met het werkgeheugen worden gezien als mogelijke oorzaak van (bepaalde vormen van) rekenstoornissen en kunnen een mogelijke verklaring bieden voor de vaststelling dat verschillende leerstoornissen vaker dan op basis van toeval samen voorkomen bij één persoon.

 

Visuele informatieverwerking (Gv)

Visuele informatieverwerking betreft de vaardigheid in het gebruiken van mentale beelden (vaak in combinatie met waargenomen visuele beelden) om problemen op te lossen. Een belangrijke rol hierbij is weggelegd voor de vaardigheid om visuele patronen en stimuli te genereren, waar te nemen, te analyseren, te synthetiseren, te manipuleren, te transformeren en ermee te denken. Men spreekt in dit verband vaak over ‘visueel-ruimtelijke vaardigheden’. Voorbeelden van andere nauwe cognitieve vaardigheden naast visualisatie zijn ruimtelijk scannen (d.i. het vermogen om een weg in een ruimte (bv. doolhof) te visualiseren) en ‘closure speed’  (d.i. het vermogen om snel een betekenisvol object te identificeren op basis van onvolledige visuele informatie). Uit onderzoek is gebleken dat sterke prestaties op vlak van visuele informatieverwerking samenhangen met excellent presteren in zogenaamde STEM-domeinen (Science, Technology, Engineering, Mathematics).

 

Auditieve informatieverwerking (Ga)

Deze BCV wordt gedefinieerd als het vermogen om betekenisvolle informatie in geluid te detecteren en te verwerken. Het gaat daarbij niet om het begrijpen van taal, maar wel om het waarnemen, analyseren en synthetiseren van auditieve stimuli. Smalle vaardigheden die deel uitmaken van auditieve informatieverwerking zijn onder meer het vermogen om klanken te herkennen en van elkaar te onderscheiden, het kunnen houden en beoordelen van ritme en het kunnen identificeren van toonhoogte. Moeilijkheden op vlak van auditieve informatieverwerking blijken samen te hangen met moeilijkheden bij het leren lezen. Kinderen met zwakkere fonologische vaardigheden hebben namelijk meer moeite om de klankstructuur van woorden waar te nemen.

 

Langetermijngeheugen (Glr)

Deze BCV verwijst naar het vermogen om informatie in het langetermijngeheugen op te slaan, te bewaren en terug op te halen. Daar waar het kortetermijngeheugen informatie slechts enkele seconden vasthoudt en onmiddellijk opnieuw beschikbaar stelt, slaat het langetermijngeheugen informatie op voor een periode van minuten, uren, dagen tot zelfs jaren. Het gaat er bij deze BCV overigens niet om hoeveel informatie er in het langetermijngeheugen opgeslagen zit, maar wel om de efficiëntie waarmee het opslaan en opnieuw ophalen van informatie gebeurt. Nauwe cognitieve vaardigheden die deel uitmaken van het langetermijngeheugen zijn onder meer:  associatief geheugen (d.i. het vermogen om paren van niet-gerelateerde woorden of objecten te onthouden) en  ideeënvlotheid (d.i. het vermogen om snel een grote hoeveelheid ideeën te produceren als antwoord op een bepaalde vraag).

 

Verwerkingssnelheid (Gs)

Verwerkingssnelheid, ten slotte, verwijst naar het vermogen om eenvoudige, repetitieve cognitieve taken snel en vlot uit te voeren. Deze BCV speelt een rol bij het automatiseren van schoolse vaardigheden, o.m. bij lezen en rekenen. Een belangrijke nauwe vaardigheid die deel uitmaakt van verwerkingssnelheid is perceptuele snelheid (d.i. de snelheid waarmee men visuele stimuli kan vergelijken of beoordelen op gelijkenissen en verschillen).