Binnen thema: Begaafdheid
Artikeloverzicht Bewaren

Wat is cognitieve begaafdheid?

711

Wanneer noemen we iemand cognitief begaafd? Moet je goede prestaties op school kunnen voorleggen om cognitief begaafd te zijn? En is cognitief begaafd dan synoniem voor een hoog IQ? In dit artikel laten we ons licht schijnen over het concept ‘cognitieve begaafdheid’ en de invulling die we er binnen project TALENT aan geven.

 

Verschillende vormen van begaafdheid

Een 7-jarig pianowonder dat op haar jonge leeftijd al de moeilijkste sonates foutloos kan spelen. Een jonge atleet die het wereldrecord hoogspringen scherper stelt. Een artieste die met haar creaties mensen van over de hele wereld in vervoering brengt. De winnaar van de laatste editie van de Vlaamse Wiskunde Olympiade. Weinigen zullen ons tegenspreken wanneer we elk van deze vier jonge mensen begaafd noemen. Zij zijn namelijk in staat gebleken tot uitzonderlijke prestaties. Bovendien blijkt uit deze voorbeelden dat begaafdheid op verschillende domeinen van het menselijk functioneren kan gedefinieerd worden. Zo kunnen mensen onder meer begaafd zijn op creatief, sociaal, cognitief of motorisch vlak.

 

Cognitieve begaafdheid: meer dan intelligentie

De afgelopen decennia werden in de wetenschappelijke literatuur heel wat verschillende modellen en definities van begaafdheid geformuleerd. Binnen project TALENT leggen we de focus op cognitieve begaafdheid, de meest bestudeerde vorm van begaafdheid. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis kiezen we er voor om cognitieve begaafdheid te omschrijven op een manier die nauw aansluit bij een vaak gebruikte werkdefinitie van intelligentie:

“[Intelligentie] omvat de vaardigheid om te redeneren, plannen, problemen op te lossen, abstract te denken, complexe ideeën te begrijpen, snel te leren en te leren uit ervaring. Het is niet enkel leren uit boeken, geen beperkte academische vaardigheid of een vaardigheid om testen te maken. Het weerspiegelt eerder een bredere en diepere capaciteit om de omgeving te begrijpen, inzicht te verwerven en te ontdekken wat er gedaan moet worden.” (Gottfredson, 1997).

Op basis van deze definitie zouden we cognitieve begaafdheid kunnen omschrijven als het beschikken over een uitzonderlijk hoge intelligentie. Modellen van begaafdheid leggen echter explicieter dan intelligentiemodellen de nadruk op de ontwikkelingsdimensie, de rol van de context en van niet-cognitieve persoonsfactoren in de ontwikkeling van uitzonderlijke aanleg naar uitzonderlijke prestaties (zie verder). Ook benadrukken alle hedendaagse begaafdheidsmodellen dat talent of begaafdheid zich niet alleen op het cognitieve domein kan manifesteren, maar ook op de hogergenoemde domeinen. In die zin zijn begaafdheidsmodellen omvattender dan intelligentiemodellen.

 

Hoe uitzonderlijk moet iemands intelligentie zijn om hem cognitief begaafd te noemen?

Het antwoord op deze vraag is in wezen arbitrair, wat wil zeggen dat wetenschappers en practici een soort afspraak moeten maken over waar de grens van cognitieve begaafdheid precies ligt. Sommigen stellen voor om een relatief lage drempel te hanteren (bv. de top 20%, zie o.a. Renzulli, 1986), terwijl anderen een hoge drempel bepleiten (bv. de top 1%, zie o.a. Terman, 1925). In navolging van Gagné (2004) kiezen we er binnen project TALENT voor om de term cognitieve begaafdheid te gebruiken voor personen die qua cognitieve vaardigheden tot de top 10% van hun leeftijdsgenoten horen. Voor leerlingen die aan dit criterium voldoen moeten we ons minstens de vraag stellen of het ‘gewone’ onderwijsaanbod wel voldoende op hun noden afgestemd is.

Uiteraard bestaan er binnen deze groep cognitief begaafde personen nog grote niveauverschillen. Zo wordt er vaak een onderscheid gemaakt tussen begaafde (top 10%), hoogbegaafde (top 2,5%) en uitzonderlijk begaafde (top 0,1%) personen.

Bij het hanteren van deze grenzen hoort een belangrijke relativerende opmerking. Het kan namelijk erg aantrekkelijk lijken om dit soort grenzen hard en absoluut te gebruiken, bijvoorbeeld om te beslissen welke kinderen in aanmerking komen voor een onderwijsaanbod voor cognitief begaafde kinderen. Er zijn echter verschillende redenen om hierin enige flexibiliteit aan de dag te leggen. Zo zullen de gemiddelde cognitieve vaardigheden van twee kinderen die respectievelijk net wel en net niet binnen de top 10% vallen vermoedelijk weinig van elkaar verschillen. Bovendien gaat het meten van cognitieve vaardigheden steeds gepaard met een zekere meetfout, waardoor de werkelijke cognitieve vaardigheden van een persoon wat hoger of wat lager kunnen liggen dan wat testscores aangeven.

 

Gaat het bij cognitieve begaafdheid om een uitzonderlijk potentieel of om uitzonderlijke prestaties?

Het begaafdheidsmodel dat het nauwst aansluit bij de TALENT-visie op begaafdheid is het Gedifferentieerd Model van Begaafdheid en Talent van Gagné (2004, 2008). Net als enkele andere toonaangevende onderzoekers ziet Gagné begaafdheid als een natuurlijke aanleg, een uitzonderlijk potentieel dat moet omgezet worden in uitzonderlijke prestaties. Deze natuurlijke aanleg wordt het gemakkelijkst geobserveerd bij jonge kinderen, onder meer via de snelheid en het gemak waarmee ze zichzelf via vormen van informeel leren nieuwe vaardigheden aanleren. Denk, bijvoorbeeld, aan kinderen die al op erg jonge leeftijd een enorme woordenschat hebben opgebouwd, zichzelf hebben leren lezen of complexe puzzels hebben leren oplossen, zonder dat iemand hen dit expliciet onderwezen heeft.

Een uitzonderlijke aanleg vertaalt zich echter niet zomaar in uitzonderlijke prestaties. Om deze omzetting te doen slagen is leren nodig, vaak gebaseerd op oefening en training.  Verschillende factoren zijn van invloed op de ontwikkeling van aanleg naar prestaties en bepalen mee het succes ervan. Sommige van deze factoren situeren zich binnen de persoon zelf, zoals persoonlijkheids­kenmerken, motivatie en doorzettingsvermogen. Andere factoren situeren zich in de omgeving rond de persoon, zoals kenmerken van de thuisomgeving, de invloed van betekenisvolle individuen (bv. een inspirerende leraar) en de leeromgeving op school. Voor al deze factoren geldt trouwens dat hun invloed zowel bevorderend als belemmerend kan zijn. Het complexe samenspel tussen de factoren bepaalt of iemand zijn uitzonderlijke aanleg op een bepaald moment omzet in uitzonderlijke prestaties.

Wanneer iemand daar onvoldoende in slaagt, spreken we van onderpresteren. Denk maar aan die leerling die niet goed presteert op schoolse toetsen, maar wel de top haalt in de Vlaamse Wiskunde Olympiade of al drie romans heeft geschreven. Deze leerling laat op sommige momenten duidelijk merken dat hij over een uitzonderlijke cognitieve aanleg beschikt, terwijl dit op andere momenten niet het geval is.

 

Hebben alle cognitief begaafde personen dan hetzelfde cognitieve vaardigheidsprofiel?

Het is belangrijk om te weten dat achter de algemene intelligentiescore (d.i. de totale score die een inschatting geeft van de algemene intelligentie van de onderzochte persoon) een gevarieerd beeld van onderliggende cognitieve vaardigheden kan schuilgaan. Hiervoor verwijzen we graag naar het in Vlaanderen en ver daarbuiten gangbare CHC-model van intelligentie. Dat model onderscheidt meerdere brede cognitieve vaardigheden die onderliggend zijn aan algemene intelligentie (ook wel de g-factor genoemd). De twee vaardigheden die het sterkst samenhangen met deze algemene intelligentie zijn vloeiende intelligentie (Gf, d.i. de vaardigheid nieuwe problemen op te lossen door te redeneren of onderliggende regels te ontdekken) en gekristalliseerde intelligentie (Gc, d.i. de vaardigheid om cultureel bepaalde kennis te verwerven en toe te passen).

Dit betekent dat twee cognitief begaafde personen met een zelfde totale IQ-score toch een verschillend cognitief profiel kunnen hebben, met verschillende (relatieve) sterktes en zwaktes. Wanneer het om kinderen gaat, zal het gepaste onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor hen beiden mogelijk van elkaar verschillen. Voor een voorbeeld verwijzen we graag naar deze kennisclip.

 

Modellen van begaafdheid

Zoals gezegd, sluit de visie op begaafdheid die binnen project TALENT wordt gehanteerd het nauwst aan bij het model van Gagné. Ter afsluiting van dit artikel verwijzen we graag nog naar enkele gangbare alternatieve modellen, met name:

Reageren
KennisbankThema'sExterne blogsProfessionelenScholen & organisatiesWerkgroepenOver TALENT