Binnen doelgroep: Pubers en jongeren (12-18j)
Artikeloverzicht Bewaren

Betrokkenheid en motivatie van cognitief sterke leerlingen: eerste resultaten van de TALENT-studie

94

Jeroen Lavrijsen & Karine Verschueren

Dagen Vlaamse scholen de cognitief sterkste leerlingen wel genoeg uit? Vervelen begaafde leerlingen zich niet in de klas? En hoe stimulerend vinden ze hun schoolwerk? Dit zijn enkele belangrijke vragen waarop het project TALENT een antwoord wil bieden.

In dit artikel vatten we de eerste bevindingen samen van een grootschalig onderzoek dat we momenteel uitvoeren bij 3.400 leerlingen in 27 Vlaamse scholen(eerste graadsecundaironderwijs). De eerste resultaten geven aan dat cognitief begaafde leerlingen (d.w.z. leerlingen met een IQ hoger dan 120, waarmee ze behoren tot de 10% sterkste leerlingen qua cognitieve vaardigheden) zich over het algemeen sterk inzetten voor school en zich goed voelen in de klas. Toch zijn er ook aanwijzingen dat het onderwijs niet altijd voldoende is afgestemd op hun behoeften. In het bijzonder de hoogbegaafde leerlingen (d.w.z. leerlingen met een IQ hoger dan 130) beoordelen de lessen als minder uitdagend. Hieraan gerelateerd zijn deze leerlingen minder autonoom gemotiveerd om voor school te werken en gaan ze minder op in hun schoolwerk. In de komende maanden zal verder onderzocht worden welke kenmerken van klas, school en leerkracht ervoor kunnen zorgen dat ook de meest begaafde leerlingen in Vlaanderen voldoende aan hun trekken komen op school.

Metingen en resultaten

Zie document  20182206_TALENT_eersteresultaten.pdf

Conclusies

Wat heeft deze eerste data-inzameling ons nu geleerd? Het goede nieuws is alvast dat begaafde leerlingen zich sterk inzetten voor school en het doorgaans ook fijn vinden in de klas, evenveel of meer dan de referentiegroep.

Toch duiken er ook duidelijke knipperlichten op, in het bijzonder voor wat betreft de leerlingen met een IQ hoger dan 130 (hoogbegaafde leerlingen). Deze leerlingen doen het voor verschillende maten significant minder goed dan de referentiegroep (leerlingen met een IQ tussen 80 en 120). Zo geven ze aan dat ze minder kunnen opgaan in hun schoolwerk, dat ze er minder energie uit halen, en dat ze minder autonoom gemotiveerd zijn om te studeren. Ook ervaren ze hun schoolwerk vaker als onvoldoende uitdagend en verwijzen ze vaker naar een gebrek aan stimulerend schoolwerk als reden voor amotivatie.

Voor de groep begaafde leerlingen met een IQ tussen de 120 en de 130 lijkt de situatie in het begin van het secundair onderwijs op het eerste zicht gunstiger: deze groep lijkt vaak nog wel aan zijn trekken te komen in het onderwijs en rapporteert hoge waardes voor gedragsmatige en emotionele betrokkenheid. Toch kan ook hier worden opgemerkt dat deze groep, ondanks de hoge cognitieve vaardigheden die ze net op school tot ontwikkeling zouden kunnen brengen, klaarblijkelijk niet altijd hoger scoort dan de referentiegroep, bijvoorbeeld op de maten rond Flow en Autonome Motivatie.

Daarnaast bekeken we in dit artikel uitsluitend verschillen tussen groepen leerlingen. De onderwijsbehoeften van individuele leerlingen kunnen uiteraard afwijken van het groepsgemiddelde. De spreiding binnen de begaafde groep blijkt doorgaans hoger dan in de referentiegroep: bij gelijke gemiddeldes zijn er dan meer leerlingen die het goed doen, maar ook meer leerlingen die het niet goed doen en mogelijk het risico lopen op demotivatie en onderpresteren. De aansluiting tussen onderwijsaanbod en -behoeften zal dus steeds voor elke leerling afzonderlijk bekeken moeten worden, los van de groep (IQ tussen 120 en 130 of IQ boven de 130) waartoe de leerling behoort qua cognitieve vaardigheden.

De in dit artikel besproken gegevens werden verzameld aan de start van het eerste jaar van het secundair, op een moment dat de leerlingen pas nieuw waren in een school. Verder onderzoek op basis van de latere meetmomenten zal moeten uitwijzen in welke mate de vastgestelde patronen behouden blijven, of mogelijk zelfs nog uitvergroot worden,doorheen de eerste graad. Deze studie beperkte zich bovendien tot het secundair onderwijs. Over de mate waarin het basisonderwijs tegemoet komt aan de onderwijsbehoeften van deze begaafde leerlingen kunnen we op dit moment geen uitspraak doen. Dat zal verder worden onderzocht in andere studies binnen het TALENT-project.

Tot slot is het belangrijk te onderstrepen dat betrokkenheid en motivatie geen inherente kenmerken zijn van een kind: ze worden mee geschapen door de context waarin het kind opgroeit en naar school gaat. Een belangrijke onderzoeksvraag binnen het TALENT-onderzoek is dan ook welke omgevingskenmerken ervoor zorgen dat begaafde leerlingen gemotiveerd en betrokken blijven. Maken de klassamenstelling en het klasklimaat een verschil? Welke rol spelen differentiatie naar boven en andere leerkrachtgedragingen of -interventies? En hoe beïnvloeden de ouders van de leerlingen dit proces? De komende jaren hoopt het TALENT-onderzoek ook op deze vragen een antwoord te bieden.

Lees meer over: motivatie uitdaging verveling
Reageren
KennisbankThema'sExterne blogsProfessionelenScholen & organisatiesWerkgroepenOver TALENT